Het motorjacht is veertien meter lang en steekt vijfenhalve meter boven het water uit. Ga er met een bijboot naast liggen en kijk omhoog.
Dat is nieuw, en dat is zo'n beetje het hele punt. Elke boot op de plas was vroeger dezelfde kleine romp met een getal ervoor, waardoor een "jacht" een meter of zeven werd, een boot waar je overheen keek. Ze worden nu één voor één getekend, op het formaat dat hun naam belooft. Een sloep is zes meter. Een motorkruiser tienenhalve. De bijboot waarin je begint is niets veranderd, en juist daardoor komt de rest aan.
De sloep is ook zijn kajuit kwijt, op grond van het feit dat sloepen geen kajuit hebben. Hij heeft de bank rond de kuip die hij altijd al had moeten hebben.
En er ligt een zeilboot. Elf meter mast, grootzeil en fok allebei vol, en hij draait niet op een dubbeltje: een kiel gaat waar hij heen wijst. Hij is ook bijna geluidloos, en de waterpolitie vindt je op het gehoor. Dus dat is de enige romp waarmee je met sterren de open plas oversteekt en ermee wegkomt.
Ondertussen zijn de mensen daarbuiten niet meer allemaal dezelfde kerel. De helft van de politie, de helft van het middagverkeer, en eindelijk Thea en Paula, die als vrouw bedacht zijn op de dag dat ze een naam kregen en sindsdien als man in hun boot stonden.
Ga maar kijken. Negen kilometer per uur, nog altijd streng gehandhaafd.
